In verband met het coronavirus zal er voorlopig geen inloopspreekuur op donderdag plaatsvinden.

 

 

Nieuwsbrief

Nieuwsbrief februari 2016

 

Periodieke gift

Onder een periodieke gift wordt verstaan een verplichting gedurende een aantal jaren een bedrag te schenken. Voordeel van een periodieke gift is dat het bedrag aftrekbaar is voor de inkomstenbelasting, ongeacht de hoogte van de jaarlijkse gift. Maar dan moet de periodieke gift wel aan de voorwaarden voldoen.

 

In de wet staat vermeld dat onder periodieke gift wordt verstaan: een gift aan instellingen of verenigingen in de vorm van een vaste en gelijkmatige periodieke uitkering die eindigt bij overlijden. Voor 2012 diende een dergelijke periodieke schenking te worden vastgelegd in een notariële akte. Tegenwoordig kan dat ook middels een onderhandse akte. Een voorbeeld kan op de site van de belastingdienst worden gedownload.

 

Onlangs speelde de situatie waarin twee echtgenoten zich bij notariële akte hadden verplicht om gedurende vijf jaar een bedrag te schenken aan een algemeen nut beogende instelling (ANBI). In de akte was bepaald dat de verplichting zou eindigen bij het overlijden van de langstlevende van de twee echtgenoten.

De belastingdienst weigerde de aftrekpost aangezien zij van mening was dat de schenking niet kwalificeerde als een periodieke gift. Het einde was namelijk afhankelijk gesteld van twee levens en niet van één leven. Daardoor werd volgens de belastingdienst niet aan de zogenaamde "onzekerheidseis" voldaan.

De rechtbank volgde de belastingdienst hier in.

De schenkers waren het niet met de rechtbank eens en hebben hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het beroep echter afgewezen wegens overschrijding van een termijn. We zullen het dus met de uitspraak van de rechtbank moeten doen.

 

Indien de overlijdenskans groot genoeg is, zou het wel mogelijk moeten zijn om de schenking van twee levens afhankelijk te maken. Overigens is het ook mogelijk de schenking afhankelijk van het leven van een ander te maken.

 

Voor meer informatie, Helma Leonhard-Strien.


Koop, kwijtschelding en uitsluitingsclausule

Het komt vaak voor. Samenwoners willen een woning kopen en de ouders van één van hen helpen daarbij financieel gezien een handje. Zo lang de liefde duurt gaat het goed, maar wanneer de relatie wordt verbroken is het niet meer de bedoeling dat de ex mee profiteert van de goedgunstigheid van de ouders. Maar dan moet het wel goed geregeld zijn.....

 

Twee samenwoners kochten samen van de ouders van de man een woning voor een koopprijs van 140.000 gulden. Bij de levering werd aan de man 50.000 gulden kwijtgescholden. De ouders bepaalden bij de kwijtschelding dat de schenking niet zou vallen in een gemeenschap van goederen waarin de man zou huwen (de uitsluitingsclausule).

Een aantal jaren later huwde het stel in gemeenschap van goederen en weer een aantal jaren later werd het huwelijk ontbonden door echtscheiding.

De man stelde zich op het standpunt dat de helft van de woning van hem privé was en niet in de gemeenschap van goederen viel. Zowel de rechtbank als het hof vonden dat dit niet het geval was.

Ten eerste werd geoordeeld dat de gemeenschap die is ontstaan doordat de twee samenwoners een huis kochten een "eenvoudige" gemeenschap is. De uitsluitingsclausule ziet slechts op een gemeenschap van goederen en niet op deze zogeheten eenvoudige gemeenschap tussen samenwoners. Volgens het hof komt bij de uitleg van de uitsluitingsclausule in beginsel doorslaggevende betekenis toe aan de bewoordingen, gelezen in het licht van de kwijtscheldingsakte. Uit die bewoordingen valt uitsluitend af te leiden dat de schenking van 50.000 gulden niet zal vallen in een gemeenschap van goederen waarin de man zou huwen.

Ten tweede werd geconstateerd dat de man niet kon bewijzen dat de ontbrekende 20.000 gulden van zijn helft van 70.000 gulden destijds door hem uit eigen middelen was voldaan, zodat ook de weg van zaaksvervanging hem niet kon helpen.

 

Voor advies, hoe je dit wel moet regelen, Helma Leonhard-Strien.


Kortere publicatietermijn voor jaarrekening

Vanaf 1 januari 2016 geldt een kortere publicatietermijn voor jaarrekeningen van BV' s en NV' s. Omdat het niet voldoen aan tijdige publicatie tot bestuurdersaansprakelijkheid kan leiden, is dat iets om goed rekening mee te houden.

 

Volgens de wettelijke regels moet de jaarrekening van een BV of een NV binnen vijf maanden na het einde van het boekjaar door het bestuur worden opgemaakt. Deze termijn kon vervolgens door de algemene vergadering met zes maanden verlengd worden. Deze termijn is nu vijf maanden geworden. Derhalve één maand korter.

Nadat de jaarrekening door het bestuur is opgemaakt, dient deze nog vastgesteld te worden door de algemene vergadering. Dat is alleen niet zo indien alle aandeelhouders tevens bestuurder zijn. Dan is, tenzij in de statuten iets anders staat, de jaarrekening vastgesteld door ondertekening door alle bestuurders.

 

Zodra de jaarrekening is vastgesteld moet deze binnen één maand worden gedeponeerd in het handelsregister. Dit moet in ieder geval uiterlijk binnen twaalf maanden na het einde van het boekjaar gebeuren.

Voor de boekjaren die aanvingen vóór 1 januari 2016 gelden de oude termijnen. Het bovenstaande zal dus  pas in 2017 echt relevant worden.

 

Ook al is het maar een maand, het is wel belangrijk voor de bestuurder om op tijd te publiceren indien dat verplicht is. Wanneer een bestuurder niet of niet tijdig publiceert en de vennootschap komt in een faillissement terecht, wordt het niet tijdig publiceren geacht een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Dit kan tot aansprakelijkheid voor de bestuurder leiden. Bovendien is het niet naleven van de publicatieplicht een economisch delict waarvoor  een boete opgelegd  kan worden.  

 

Een soortgelijke verkorting van de publicatietermijn geldt overigens ook voor stichtingen en verenigingen met een publicatieplicht. De opmaaktermijn bedraagt hier zes  maanden, de verlengingstermijn wordt verkort naar vier maanden. Vaststelling moet bij deze rechtspersonen binnen een maand.

 

Voor meer informatie, Gabi Wickerhoff.


Depotregeling in aannemingsovereenkomst

Bij de koop voor of tijdens de bouw van een nieuwbouwwoning, worden de aanneemtermijnen betaald naarmate de bouw vordert. Bij de oplevering mag je ervoor kiezen om 5% van de aanneemsom niet aan de aannemer te voldoen maar deze in depot te storten bij een notaris. Dit is van dwingend recht en beschermt de koper indien er bij oplevering gebreken worden geconstateerd.

 

De bedoeling van de “5%-regeling” is om ervoor te zorgen dat de (bouw)ondernemer de nieuwbouwwoning in goede staat zal opleveren. Deze 5% dient wel betaald te worden, maar staat nog niet ter vrije beschikking van de aannemer, de notaris houdt dit gedeelte in depot. De aannemer kan er ook voor kiezen om vervangende zekerheid ter grootte van deze 5% te stellen.

Hiervan kan niet ten nadele van de consument worden afgeweken (dwingend recht).

 

Volgens de wet kan het bedrag worden gestort bij een notaris en dit moet volgens de rechter worden uitgelegd als iedere notaris. Het bedrag hoeft dus niet per se bij de notaris te worden gestort die het bouwproject begeleidt.

 

Voorts is in de wet bepaald in welke gevallen de 5% kan worden vrijgegeven. Onder andere wanneer drie maanden na de oplevering zijn verstreken en de opdrachtgever niet te kennen heeft gegeven zijn verplichtingen jegens de aannemer te willen opschorten.

 

Van belang is ook dat de ondernemer de mogelijkheid heeft om vervangende zekerheid te bieden voor de 5%. Ook in dat geval moet de notaris het bedrag vrijgeven aan de ondernemer. Deze vervangende zekerheid hoeft niet via een bankgarantie, maar mag ook op andere wijze. Welke wijzen dat dan allemaal zijn is nog niet geheel duidelijk.

 

Voor meer informatie Anne-Marie Snel.


 

« Terug naar het overzicht